Een weekje Togo: het uiterste Noorden en het uiterste Zuiden: beiden even ondraaglijk warm. In Dapaong ligt dat gewoon aan het klimaat in die streek, dichter bij de woestijn. In Lomé lag het aan het uitblijven van regen. Al twee weken wachten ze erop terwijl het regenseizoen volop bezig is.
Onze week begon zondag (17/05) met een prachtige rit van Zuid-Bénin naar Noord-Togo: adembenemende landschappen, kilometers ver kunnen kijken zonder een huis te zien en wanneer je er wel zag, zagen ze er supergezellig uit. Allemaal lemen hutjes in een cirkel. Zo’n 4-5 cirkels die samen een dorp vormen. Hier en daar een stadje doorrijden waar de markt altijd aan de weg lag en volop aan de gang was. Op de rustigere stukken enkel de uitgestrektheid en af en toe een kudde koeien die oversteekt.
Het kleine nadeel van ‘op stage zijn’ is dat je moet werken, maar het grote voordeel is dat je tijdens je werk vaak op plaatsen komt die je als gewone toerist nooit zou gezien hebben.
Dinsdag zijn we bijvoorbeeld een dorpje gaan bezoeken om de boeren daar te ontmoeten en te interviewen. Er stond spijtig genoeg niets op het veld. De boeren waren de velden net aan het klaarmaken om te gaan zaaien. We wandelden mee met één van hen naar zijn veld. Zelden iemand met zo vriendelijke ogen gezien. Hij legde ons uit hoe alles in zijn werk ging om tomaten te kweken en legde ook het grootste probleem uit waarmee hij geconfronteerd wordt: bodemerosie. Bijna de helft van zijn grond kan hij niet meer gebruiken omdat de bodem 2-3 meter verzakt is. Daarna gingen we allemaal in de schaduw van een mangoboom zitten om een paar vragen te stellen. De mensen daar stonden ons uitgebreid te woord en vroegen niets in ruil. Tegenover sommige andere ervaringen hier was dat een hele verademing.
We waren gewoon welkom, ze spendeerden een paar uren van hun kostbare tijd aan ons bezoek, midden in een drukke periode op het veld en waren gewoon blij ons te mogen ontvangen. En wij waren dankbaar dat we even mee mochten kijken op hun veld en naar hun verhalen konden luisteren.
Donderdagochtend zijn we Lomé vertrokken. We reden via een andere weg terug zuidwaarts en ook deze rit was werkelijk prachtig. Als er iets is wat ik van mijn korte bezoek aan Togo zal onthouden zijn het wel die prachtige landschappen, die uitgestrektheid die ik daarvoor nooit had kunnen aanschouwen.
We hadden al opgezocht waar we wouden slapen, maar we vonden het niet direct. Dat kwam doordat het geen echt hotel bleek te zijn. We belden aan en de eigenaar werd opgetrommeld om ons te komen verwelkomen. Een gekke, enthousiaste Fransman kwam ons op een ZEM tegemoet gereden. Hij liet ons binnen, toonde de kamer en nam ons mee op café want Belgen kunnen niet te lang zonder bier redeneerde hij. Terwijl ik al twee maanden zit te verlangen naar een wijntje, maar een verfrissend pintje was ook welkom na zo een lange rit.
Deze man, Guillaume, is het toonbeeld van integratie: hij spreekt de lokale taal (Mina), kent elk klein gebaar en elke handeling die van je verwacht wordt.
Hij heeft onze avonden in Lomé gevuld door ons overal mee naartoe te sleuren: even hallo zeggen aan ‘papa’, aan ‘grand frère nummer 1, nummer 2, nummer 3,…’,… hij heeft ons ‘Solabi’ laten proeven: een soort likeur gedistilleerd uit palmwijn. Straf spul maar lekker.
We betaalden de prijs van een hotel maar kregen er een thuis voor in ruil: overdag werkten we op hun terras, net zoals in Bohicon, ’s avonds aten we met hun (heerlijke maaltijden trouwens: mix tussen Afrikaans en Europees), iedereen trakteerde om de beurt en we babbelde hele avonden vol.
Deze mensen (2 Togolese zussen met elk hun (Frans)man, waarvan één Guillaume was) zijn echt fantastisch. Als er iemand ooit beslist naar Lomé te gaan, dan is dit zeker een aanrader: L’arbre des voyages heet het, te vinden in Lonely Planet. Je zal het je niet beklagen.
We hebben door hun ook niet enkel ‘Europese’ gesprekken kunnen voeren, ze hebben ons ook voorgesteld aan allemaal vrienden van hun. Vrienden met wie je heel eerlijk en open kon praten/discussiëren en dat luchtte op. Guillaume heeft ook ons gevoel bevestigd: Yovo betekent inderdaad niet altijd iets vriendelijk. Wij vonden dat het soms redelijk denigrerend overkwam als het niet uit de mond van een kind kwam en iedereen daar bevestigde dat, ook de Togolezen.
Nu zijn we weer thuis: hetzelfde gevoel als toen we van Cotonou kwamen: thuiskomen. De buren zwaaien en vragen hoe het was, de mensen in onze vaste winkels zijn blij ons te zien, ze dachten dat we al terug vertrokken waren, thuis wensen ze ons allemaal ‘Bonne arrivée’ en Erudit, de zoon des huizes staat weer elke ochtend aan ons raam te springen om goeiemorgen te zeggen ‘Yovo, Yovo!’, ‘Bonjour Yovo!’. Hem vergeven we het, hij is nog geen 2, supermooi kind met een zeer uitgesproken eigen willetje, waarschijnlijk een beetje zoals ikzelf als ik klein was (en velen zullen zeggen nog steeds). In het begin had hij schrik van ons, we zijn de eerste blanken die dij ooit gezien heeft maar nu is hij bijna niet meer weg te slaan bij ons.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten