woensdag 6 mei 2009

Update beestjes

We zitten op een doordeweekse dag op ons terras. We hebben al meerdere maken aan ons eigen Ledebergs dakterras gedacht en aan de rustige dagen die we er onszelf gaan gunnen als we terug zijn.
Maar op minstens evenveel momenten hebben we er elkaar op gewezen hoe erg we dit terras gaan missen: het is immens groot. Je zit net goed: afgesloten genoeg om een geborgen thuisgevoel te creëren en open genoeg om nog steeds heel goed te beseffen waar je bent. In Bénin, of meerbepaald in Bohicon, en dan nog aan de rand van de stad. Een plaats die we aan ZEM-chauffeurs aanduiden als ‘L’arrondissement Ouawé Ouassako’. Een plaats waar mensen er van houden om blijkbaar amusante gesprekken te doen overkomen als hevige ruzies. Handengeklap of een bulderlach moet ons telkens weer geruststellen. Een plaats waar baby’s huilen en honden blaffen. Een plaats waar het nooit stil is. Maar klagen doe ik niet, het went en het maakt ondertussen deel uit van mijn leventje hier. Een leventje van amper 11 weken waar ik vandaag nog de stempel ‘gelukkig’ op plakte. Ik ga, eenmaal terug in België, weer moeten wennen aan het verschil in volume van omgevingsgeluid en in afmetingen van het dakterras.

We zitten dus, zoals ik al zei, op een doordeweekse dag op ons dakterras. Ik lees over vrouwenrechten en de schending ervan terwijl Bernd zich in stilte bezighoudt met beschrijvingen van Tom Lanoye zijn momenten van zelfbevrediging. Terwijl we lezen draait mijn hoofd ongeveer 3 keer per bladzijde naar links en naar rechts om een andere, hier ook zeer actieve, levensvorm in het oog te houden: beestjes. Ik zeg al lang tegen Bernd dat mijn vorige blog daarover dringend aan een update toe is. Na vandaag heb ik daar nog meer reden voor.

De motten die zich onder de straatverlichting verzamelden, zoals ik in een vorige blog beschreef, blijken ondertussen heel andere beestjes te zijn. Niemand kan er een naam op plakken, maar ik kan met zekerheid zeggen dat het geen motten zijn. Het enige wat we ervan weten is dat ze na de regen komen en niet enkel meer op straatverlichting afkomen. Nee, ondertussen hebben ze een nieuwe plaats gevonden om te vertoeven: de lamp boven ons hoofd. Ze vliegen zo veel mogelijk tegen elkaar en andere zaken aan, tot ze hun vleugels verliezen en neervallen. Dan kruipen ze op de grond verder (of waar ze ook gevallen zijn) en haken ze zicht per koppeltje in elkaar. Zo kruipen ze verder. Een paar uur later blijven nog enkel de vleugeltjes over. Een hele berg vleugeltjes wel. Ze zijn met zodanig veel dat een echt rustige avond op het terras er niet echt inzit als het geregend heeft. Maar gelukkig hebben deze beestjes, naast een op zich al kort leven, ook een kort ‘seizoen’. Ze waren er nog niet toen we hier toekwamen en ondertussen zijn ze al een tijdje weer verdwenen. Ook als het geregend heeft.

Maar ze hebben plaatsgemaakt voor een nieuwe vijand: we worden sinds enkele dagen geterroriseerd door bijen. Ik ben er in België al niet zo happig op, maar hier houden ze er een heel rare gewoonte op na. Zelfs als we gewoon rustig zitten te eten of te lezen, vliegen ze recht op je af. Ze cirkelen even rond je hoofd om zich daarna meermaals op je hoofd te laten vallen. Eenmaal ze dat genoeg gedaan hebben, nestelen ze zich in je haar, waar ze even hard blijven verder zoemen tot je ze er hebt uitgekregen. Voorlopig zijn we nog niet gestoken maar hoe haal je in godsnaam een bij uit je haar, die er voor alle duidelijkheid niet uit wil, zonder dat je vroeg of laat gestoken wordt? Afwachten, wie weet komen we terug met het antwoord.

Tussendoor hebben we ook nog ontdekt dat vleermuizen hier overdag met hele zwermen overvliegen. ’s Avonds beperkt het zich tot een verdwaald exemplaar dat even snel weer weg is als dat we het zagen komen. Nog een verrassing toen we ontdekten dat kakkerlakken konden vliegen, zij het op een zeer onhandige manier, net iets beter dan een kip, maar toch. Het maakt mij alleszins niet rustiger wanneer ik weer sta af te wassen met zo ééntje op nog geen meter van mij. Ik dacht dat ze enkel konden kruipen, dat is een beweging waar je iets beter op kan anticiperen en dat stelde me dus gerust. Maar zolang ik Bernd zijn gezicht zie opfleuren elke keer we zoiets nieuws ontdekken, kan ik ermee leven. Hij heeft zijn roeping gemist: hij had bioloog moeten worden. Gefascineerd kijkt hij naar elk beestje en elke activiteit die ze ondernemen.

Ik, zo zal uit hetvolgende blijken, ben iets minder gefascineerd. Mij interesseert het eerder hoe snel ik kan zijn tegenover zo een beestje. Meestal net snel genoeg, zo blijkt. Ik heb mij de laatste weken zo flink weten te houden. Nooit gedacht dat ik de afwas zou doen met recht voor mij op de muur een kakkerlak of een grote gifgroene spin een paar centimeter verder. Maar aan die heldentocht is vandaag een einde gekomen. Er kwam ons een muis vergezellen. Een beest waarvan ik net op tijd ingeschat had dat ik onmogelijk sneller kon zijn. Ik zat al met mijn voeten op de stoel om er toch al zeker van te zijn dat ze niet per ongeluk over mijn voeten zou lopen, of erger, langs mijn broekspijp omhoog zou kruipen, maar toen ze onder mijn stoel door rende deed ik iets waarvan ik dacht dat niemand dat ooit echt gedaan had. Ik sprong zoals in de tekenfilms of stripverhalen met beiden voeten op tafel. Gillen deed ik net niet.

Ik kan dus met zekerheid zeggen dat ik ons dakterras, en op sommige momenten de geluiden ga missen. Maar de beestjes, die keer ik zonder spijt de rug toe wanneer ik naar België terugkeer.

Geen opmerkingen: